Blackface & Zwarte Piet

Met verbazing heb ik het artikel over Blackface (“Pijnpunten opzoeken”) gelezen in Volkskrant Kunst van donderdag 19 maart 2009. Met name de opmerking dat: “…in Europa gevoeliger over het beladen verleden van deze traditie wordt nagedacht dan in Amerika…”. Waar blijkt deze gevoeligheid dan uit? Elk jaar wordt van november tot 5 december in Nederland de grootste “Minstrel show” van Europa probleemloos uitgevoerd. Amateur Blackface acteurs spelen dan de meest sullige, dommige karakters met vet aangezette maniertjes, rollende ogen en zware accenten.
Namelijk tijdens de Sinterklaasviering. Amerikanen en Britten reageren met stijgende verbazing en ongeloof op dit jaarlijkse festijn. Het is bijna niet uit te leggen dat het zogenaamde progessieve Nederland een dergelijke discriminerende traditie in stand houdt. Sterker nog wie kritiek uit wordt met veel emotie en agressiviteit bejegend. Het afgelopen jaar bleek dat weer toen kunstenaars Annette Krauss en Petra Bauer binnen het kader van de Be[com]ing Dutch tentoonstelling in het van Abbe Museum een anti-Zwarte Piet demonstratie hadden georganiseerd. Het museum werd overspoeld met haat mail en bedreigingen. Deze waren zo serieus dat besloten werd de demonstratie geen doorgang te geven. Ook Krater theater ervoer dezelfde weerstand naar aanleiding van het kritische theatervoorstelling De Schaduw van Goedheiligman (Felix de Rooij en Mark Walraven). Van kritisch nadenken over deze ‘beladen traditie’ is dan ook geenszins sprake. Op een andere manier blijkt dit bijvoorbeeld ook op Hyves waar allerlei groepen zich opwerpen om de Zwarte Piet traditie (naast de negerzoen) te behouden.
Wie kritiek uit krijgt steevast te horen: Zwarte Piet is geen neger want zijn kleur komt van het roet uit de schoorsteen, het is ‘onze’ culturele traditie, en zwarte piet is toch lief en grappig? Rita Verdonk maakt het zelfs inzet van haar politieke campagne voor Trots op Nederland. Zo zei ze in april 2008: “Ze willen ons Sinterklaasfeest afpakken. Ze willen overal slavernijmonumenten neerzetten”. Hoewel Verdonk hiermee kritiek uit op Afro-Surinamers en –Antillianen legt zij – zonder dat ze het zelf doorhad- een verband tussen slaven en de zwarte knecht van Sinterklaas.
In een dergelijke context, waarin nadenken “over thema’s als ras, identiteit en vooroordelen” blijkbaar zo gevoelig ligt, worden nu Blackface theatervoorstellingen gemaakt. Zonder enig rekenschap te geven van een “homegrown” Blackface traditie die jaar in jaar uit wordt opgevoerd. Dit is een groot verschil met Amerika waar onder invloed van de zwarte burgerrechten beweging wel degelijk wordt geprobeerd af te rekenen met een racistisch verleden. Overigens betekent dat niet dat Amerika vrij is van racisme maar wel dat er een breed maatschappelijk discours is over wat als racisme wordt beschouwd. Het hedendaagse gebruik van de eigen Blackface traditie krijgt daar dan ook een heel andere betekenis. In Amerika zou de figuur van Zwarte Piet een onmogelijkheid zijn. Het is jammer dat Nederlandse theatergroepen als Orkater en Urban Myth dan ook geen gebruik maken van de eigen Nederlandse Blackface traditie en daarmee spelen om te onderzoeken “hoe anderen, acteurs en publiek, met de discriminatieproblematiek omgaan”, aldus Urban Myth regisseur Jörgen Tjon A Fong in de Volkskrant. Onduidelijk blijft in het artikel hoe de Nederlandse discriminatieproblematiek nou precies aan de orde wordt gesteld. Wordt het publiek niet juist op het verkeerde been gezet door gebruik van een Amerikaanse traditie? Er wordt in Nederland namelijk al snel gedacht dat ‘echt’ racisme iets is van Amerika of Zuid Afrika maar niet van Europa c.q. Nederland. Een stuk dat gebaseerd is op een film van Spike Lee zal dit beeld wellicht alleen maar bevestigen. Tekenend voor het gebrek aan kennis over (Nederlands) racisme is  ook de opmerking van Orkater regisseur Vincent van Warmerdam dat hij de zwarte acteur Mike Libanon als ‘zijn alibi’ nodig heeft om met Blackface te kunnen werken. Als iets duidelijk wordt uit de geschiedenis van zowel Zwarte Piet als de Blackface traditie is dat er geen enkele zwarte persoon aan te pas hoeft te komen.

Advertenties

Nederlandse identiteit vanuit migrantenperspectief

In Nederland lijkt het op dit moment alsof migranten zich niet mogen uitspreken over de Nederlandse identiteit. Althans zo komt het over als je de reacties op Prinses Maxima’s lezing bij de presentatie van het WRR rapport ziet. Autochtone Nederlanders mogen zich voortdurend uitspreken óver migranten en hun cultuur maar als het andersom gebeurt, is het hek van de dam. Terwijl de roep dat migranten zich meer van zich moeten laten horen in het debat over de multiculturele samenleving de afgelopen jaren sterk is toegenomen. Daar horen dan ook uitspraken over Nederlandse identiteit bij. Als je moet integreren wil je namelijk begrijpen wie of wat de norm is? Aan welke of wiens Nederlands identiteit moet je je dan aanpassen? Veel van de eerste reacties op Maxima’s speech gingen niet zozeer over haar rol als lid van het Koninklijk Huis maar over de inhoud. Massaal viel iedereen over “dat ene koekje bij de koffie”. Vraag elke willekeurige oudere Surinamer, Indische Nederlander of Antilliaan die vanaf de jaren ’50 naar Nederland kwam en dat beeld van dat ene koekje waarna de trommel werd gesloten, komt naar boven. Ook het beeld dat Nederlanders weinig aan persoonlijke hygiëne doen, stamt uit die tijd. Migranten uit de tropen, die gewend waren aan twee keer per dag douchen, waren geschokt dat veel Nederlanders niet eens over een douche beschikten en eens per week naar het badhuis moesten. Of met een washandje bij de kraan stonden. Dat beeld krijgt nieuwe varianten want de vermeende viesheid van Nederlanders wordt ook geassocieerd met het houden van katten en honden in huis of met het aanhouden van schoenen. Een tijd geleden had ik een gesprek met een Surinaamse oom van mij die in de jaren ’50 naar Nederland kwam om te studeren. Hij vertelde dat als hij een overhemd aan had waar een streepje in verwerkt was, hem sarcastisch gevraagd werd of hij een pyjama aan had. Instappers werden bordeelsluipers genoemd en op straat eten werd toen als ordinair gezien. Inmiddels zijn dergelijke zaken gelukkig veranderd en is de Nederlander frivoler in kleding en schoon op het lichaam geworden. Maar sommige dingen zijn taaier. Het beeld dat je rond zes uur niet bij Nederlanders langs moet gaan, is nog steeds dominant onder migranten. Als je rond etenstijd al binnen mag komen, dan word je zelden uitgenodigd om mee te eten. Bij veel migranten daarentegen is het een vanzelfsprekendheid om meer te koken voor het geval iemand onverwacht langskomt. Zij kunnen het zich niet voorstellen dat een gast moet toekijken terwijl zij aan het eten zijn. Onlangs zei iemand nog tegen mij: “Ik zou je wel binnen willen vragen maar we zijn aan het eten”.
Het zou goed zijn als Nederlanders zich bewust zouden zijn van de beeldvorming over hen onder migranten en in het buitenland. Het zelfbeeld van Nederlanders wordt namelijk voortdurend gecreëerd in het discours óver migranten. Zij worden neergezet als traditioneel, religieus, ongeëmancipeerd, intolerant, gesloten, homofoob. Impliciet wordt daarmee aangegeven dat Nederlanders: modern, seculier, geëmancipeerd, tolerant, open, homovriendelijk zijn. Maar in sommige migrantenkringen hebben ze heel andere ervaringen met die VOC mentaliteit waarmee premier Balkenende de Nederlandse identiteit niet zo lang geleden omschreef. Wie zijn oor te luister legt in migrantenkringen krijgt een ander beeld. Er doemt een beeld op van: ongastvrijheid, zuinig, onbeschoft en bot, stijf en onverzorgd, te uitgesproken en te expliciet, weinig romantisch want nuchter. Maar zoals Johan Cruijff ooit zei: “Elk nadeel hep z’n voordeel.”
Wij (tweede generatie) kinderen van migranten, opgegroeid met twee culturen weten als geen ander wat Nederlandse identiteit kan inhouden. Wij switchen voortdurend van identificatie met de aspecten van de Nederlandse cultuur en met die van onze migrantenachtergronden. Dat zullen de prinsesjes Catharina-Amalia, Alexia en Ariane straks misschien ook doen. Wij zien dan ook dat sommige stereotypen over Nederland en Nederlanders niet altijd of onder alle omstandigheden negatief hoeven te zijn. Openheid kan soms een verademing zijn. Het kan ook de basis vormen van tolerantie en emancipatie. Nederlandse identiteit is gelukkig al lang niet meer wat het in de jaren ’50 was ook al lijken het CDA en Christenunie daar soms nostalgisch naar terug te verlangen. Desalniettemin kan meer inzicht in het perspectief van de Ander voor autochtone Nederlanders (als ook voor nieuwe Nederlanders) meer zelfkennis opleveren, meer relativeren, meer vaardigheden in interculturele omgang opleveren.

Kleur, etniciteit en het schoonheidsideaal in Sunny Bergmans Beperkt Houdbaar

Op 8 mei 2007 heb ik een reactie achtergelaten op het forum van de website: http://www.beperkthoudbaar.info/forum/ Hieronder een wat aangepaste versie van mijn reactie.

Op het forum had een zwarte vrouw (Afrooz) terecht haar kritiek geuit op het witte, eurocentrische perspectief in de documentaire maar speelde het nogal op de persoon van documentairemaakster Sunny Bergman. Dat was jammer want daardoor reageerde Bergman (bericht 24 april 2007) nogal defensief en ontstond er niet echt een interessante discussie. Bergmans documentaire is indrukwekkend en zij geeft ons een geweldige inkijk in de cosmetische industrie en hoe schoonheidsidealen en commercie hand in hand gaan. Het is gewoonweg een Cosmetisch Industrieel Complex. Toch is het jammer dat Bergman witte vrouwen impliciet tot norm maakt in haar documentaire. In die zin vind ik dat zij de documentaire vanuit een eurocentrisch perspectief heeft gemaakt. Gezien andere reacties op Afrooz kritiek treedt er een bekend mechanisme in werking. Zodra een zwarte vrouw dergelijke kritiek uit wordt zij aangevallen op haar vermeende politieke correctheid, aangevallen op het feit dat zij er een ‘raciale’ kwestie van maakt of wordt er gezegd dat ze te veel wil. Of haar reactie wordt in het extreme getrokken. Er wordt dan gezegd dat niet elke individuele vrouw aan bod kan komen want dan zouden ook gesluierde vrouwen, lesbische vrouwen etc. gerepresenteerd moeten worden. Onproblematisch wordt die witte norm geaccepteerd als de neutrale norm. Terwijl een onderwerp als de cosmetische industrie en schoonheidsidealen zich juist enorm goed leent om te zien hoe een dergelijk schoonheidsideaal uitwerkt op verschillende vrouwen. Ook Bergmans documentaire Beperkt Houdbaar leent zich erg goed voor een dergelijke invalshoek. Volgens Sunny Bergman zou de film ” alle kanten opvliegen” als ze ook aandacht zou hebben besteed aan het gebruik van huidbleekmiddelen onder sommige zwarte vrouwen of ooglid operaties onder Aziatische vrouwen die een westerse oogopslag willen. Het verbinden van kleur en etniciteit aan dit onderwerp hoeft helemaal niet te betekenen dat je de draad verliest en de film alle kanten op gaat. Impliciet gaat de film namelijk ook over kleur en etniciteit. Namelijk witheid. We zien alleen maar witte vrouwen. Niet alleen de juiste cupmaat, schaamlippen etc. bepalen het schoonheidsideaal maar ook kleur. Witheid is er een belangrijk onderdeel van. Ook huidskleur wordt geretoucheerd met Photoshop. Door dergelijke aspecten niet aan te stippen is Bergman impliciet meegegaan in die witte norm. Te meer omdat de cosmetische chirurg die zij interviewt een Afrikaans-Amerikaanse arts is, had Bergman een mooi bruggetje gehad om deze kwestie mee te nemen. Deze “arts” leek een soort sjabloon te gebruiken voor hoe een ideale vrouw er uit moet zien. Tijdens het kijken naar de documentaire vroeg me voortdurend af of er ook zwarte vrouwen in zijn praktijk kwamen en waarvoor. Wat hij zou doen als een zwarte vrouw een ‘blank’ uiterlijk zou willen. Dus smalle lippen en neus, wellicht een lichtere kleur, geblondeerd haar en dergelijke. Zou hij daar ook een sjabloon voor hebben gehad zoals hij voor Bergmans vagina had. Of als een zwarte man bij hem zou komen voor een Michael Jackson look, zou hij daar dan ook in mee gaan? Waarschijnlijk wel want deze “arts” is onverschrokken en leek alles wel te willen doen als hij maar op z’n 45ste binnen is. Hij ‘nip/tuckt’ van alles voor een paar duizend ‘Benjamins’. Ook de redacteuren van de glossy’s die Bergman interviewt, hadden aan de tand gevoeld kunnen worden over de witte norm in die bladen die vrouwen van kleur inzetten als ze een exotisch plaatje nodig hebben. Hoe dan ook Sunny Bergman had kwesties van kleur (dus ook witheid als kleur) en etniciteit prima kunnen verweven in haar documentaire zonder dat dit af zou hebben gedaan aan haar lijn en invalshoek. Een gemiste kans dus!

De NPS en het Zomercarnaval 2007

Al jaren erger ik me aan de NPS als het gaat om hun keuze voor presentatoren voor bepaalde programma’s. Het gaat dan om de muziekprogramma’s als de verslaglegging van het North Sea Jazz Festival en nu ook het Zomercarnaval. Omdat het om zwarte muziek en cultuur gaat, haalt de NPS alle zwarte presentatoren te voorschijn die ze in huis hebben. Nou is het een welkome en aangename verschijning om zo veel presentatoren van kleur op tv te zien maar waarom is dat enkel het geval als het ‘zwarte’ muziek of cultuur betreft?  Dat geeft de programma’s waarschijnlijk een authentiek en exotisch tintje… Bij NPS Klassiek zie of hoor je ze niet. Dan haalt de NPS deskundige commentatoren dat wil zeggen witte experts in  huis. Het gaat hier dus om professionele segregatie, dat wil zeggen: racisme. Zo heb ik wat betreft de verslaglegging van het North Sea Jazz Festival de afgelopen jaren bijvoorbeeld Guilly Koster, Jörgen Raymann, Yvette Förster en Aldith Hunkar voorbij zien komen. De bovengenoemden  zijn geen deskundigen op het terrein van de jazzmuziek of veronderstelt de NPS dat zij vanwege hun kleur deskundig zijn op het gebied van zwarte muziek? Het gebrek aan deskundigheid geldt overigens ook voor Hadassa de Boer.  Maar zij kon dit jaar samen met jazzmuziek deskundige en musicus Hans Mantel presenteren. Wie Hans Mantel hoort, weet dat het een meerwaarde heeft om deskundigen in huis te hebben. Hij biedt de kijker en luisteraar een schat aan kennis. Maar de verslaglegging van het Rotterdamse Zomercarnaval 2007 sloeg echter alles. Brecht van Hulten – die aan wilde sluiten bij de couleur locale en voor de gelegenheid een paar vlechtjes had laten zetten- Jörgen Raymann en daarnaast Quitus Ristie en kok/fotograaf Pierre Wind waren door de NPS ingehuurd. Carnaval, en Zomer Carnaval in het bijzonder, is een Antilliaanse (en ook Zuid Nederlandse maar geen Surinaamse!) traditie dus waarom werden er geen Antilliaanse en Arubaanse deskundigen presentatoren ingehuurd? De werkwijze van de NPS is te vergelijken met NOS sport die een Nederlandstalige Duitser inhuurt om een voetbalwedstrijd Nederland-Duitsland te becommentariëren. Als dat zou gebeuren zou Nederland te klein zijn maar als het om “allochtonen” gaat lijkt iedereen inwisselbaar.  De NPS heeft als opdracht om aan ‘multiculturele programmering’ te doen maar blijkbaar hebben ze daar geen idee hoe ze dit vorm moeten geven. Met andere woorden huur voor een Antilliaanse traditie niet ENKEL Surinamers en Nederlanders in maar zet OOK Antilliaanse deskundigen in deze professionele rollen. Dergelijke presentatoren kunnen wellicht meer vertellen over de historie en tradities van het Antilliaanse Carnaval.

Les 1) Surinamers zijn geen Antillianen, net zoals Marokkanen geen Turken zijn en Belgen of Duitsers geen Nederlanders zijn. Met andere woorden niet iedereen is zomaar inwisselbaar voor de ander op basis van dezelfde huidskleur.

Les 2) Blijf jezelf! Met andere woorden ga je niet cosmetisch ‘aanpassen’ als witte Nederlander door bijvoorbeeld speciaal voor de gelegenheid je haar te vlechten als je in een keer in een ‘zwarte’ omgeving werkt. Integratie betekent niet dat je je cosmetisch aanpast maar wel dat je kennis neemt van en respect hebt voor de kennis en tradities van anderen. (Als je je haar wil vlechten omdat je het mooi vindt, doe dat dan ook als je andere programma’s presenteert Brecht!)

Les 3) Huur deskundigen niet alleen in voor de ‘witte’ programma’s maar zorg ook voor deskundigen in de ‘multiculturele’ programma’s!

Ontneem vrouwen geen keuzevrijheid

Ontneem vrouwen geen keuzevrijheid

Afgelopen vrijdag, 27 juli 2007 las ik met enige verbazing het artikel “Voor moslima’s blijft een man altijd een man.” Onlangs zat ik namelijk met drie collegae onderzoekers Genderstudies op een terrasje. De drie collega’s komen allen uit een ander Europees land en ons gesprek ging over het laten doen van een uitstrijkje in Nederland. Geschokt waren ze dat een uitstrijkje in Nederland eens per drie jaar wordt gedaan en dan ook nog gewoon bij de huisarts in plaats van de gynaecoloog. Over een ding waren we het allemaal eens namelijk dat we het liefst voor dergelijke testen naar een vrouwelijke gynaecoloog gaan. Voor een routine uitstrijkje is het in Nederland ‘not done’ om daarvoor naar een ziekenhuis te gaan terwijl dat in andere (Europese) landen de normaalste zaak van de wereld is.
Veel vrouwen willen graag naar een vrouwelijke arts, gynaecoloog, verloskundige, of psycholoog. Niet alleen wordt de voorkeur gegeven aan vrouwelijke hulpverleners maar ook aan vrouwelijke deskundigen in andere sectoren. Zo zijn er veel vrouwen die de voorkeur geven aan een vrouwelijke advocaat, sportinstructeur of rij-instructeur. En dat is niet voor niets. De reden hiervoor is dat vrouwen (bang zijn) te maken krijgen met alledaags seksisme door sommige mannelijke rij-instructeurs, trainers, docenten of artsen.Daarnaast is er ook nog een groep vrouwen die om andere redenen de voorkeur aan vrouwen geven. Feministen die bijvoorbeeld vrouwelijke ondernemers willen steunen, laten hun fiets repareren door een vrouwelijke fietsenmaker of bewust hun huis verbouwen door een vrouwelijke aannemer. Het betreft een vorm van alledaagse positieve actie door de klant. Het is een bewuste keuze van veel vrouwen om de voorkeur te geven aan een vrouwelijke hulpverlener, instructeur of ondernemer. Het gaat dus niet alleen om “Noten op de allochtone zang, zoals radioloog Floris Sanders in Medisch Contact beweert.
Nu het moslima’s betreft, of beter gezegd een enkele moslimman, zijn de gemoederen weer hoog opgelaaid. Op de website van Medisch Contact is bijvoorbeeld te lezen dat de directeur Beleid en Advisering van de KNMG, Lode Wigersma het nodig vindt dat er een richtlijn komt. Hij zegt in het interview: ‘Vrije artsenkeuze wil niet zeggen dat men moet kunnen kiezen tussen een mannelijke of vrouwelijke arts. Artsen zijn integere deskundigen en de keuze voor een bepaalde arts zou gebaseerd moeten zijn op kwaliteitsaspecten.’ Inderdaad vrije artsenkeuze daar gaat het om. Maar wat houdt dat dan in volgens de KNMG? Hoe dan ook iedereen weet dat het moeilijk is een vrouwelijke deskundige te vinden. Dat is nu juist het probleem. In de praktijk is het helemaal niet eenvoudig om de voorkeur te geven aan een vrouwelijke deskundige. Gewoonweg omdat ze ver in de minderheid zijn. Voor vrouwen in, bijvoorbeeld de medische sector, is het namelijk nog steeds lastig om carrière te maken. Wat betreft die kwaliteitsaspecten waar Wigersma aan refereert zeg ik: “bij gelijke geschiktheid geef ik de voorkeur aan een vrouw.” Het gebrek aan vrouwen in de hogere echelons van de gezondheidszorg is een groter probleem dan een enkele streng religieuze moslimman die met dwang een vrouwelijke arts eist voor zijn vrouw. Daarover zwijgt de KNMG in alle talen.
PvdA politica Khadija Arib gaat ook mee in de ophef en stelt zich een schrikbeeld voor waarin dat de scheidslijn tussen mannen en vrouwen in Nederland doorzet. Die scheidslijn is er al. Kijk maar naar de verdeling van arbeid en zorg, naar het gebrek aan vrouwen in de top van organisaties, de oververtegenwoordiging van vrouwen in de typische vrouwenberoepen. Zoals bijvoorbeeld de gezondheidszorg waar de lage echelons vrijwel enkel uit vrouwen bestaan en de hogere rangen voor het merendeel door mannen ingenomen worden.
Tegenwoordig stemmen veel bedrijven en organisaties af op de verscheidenheid aan klanten. Niet omdat ze zo progressief zijn maar omdat ze doorhebben dat ze daardoor meer winst kunnen maken of betere dienstverlening kunnen bieden. De medische sector zou ook zo moeten denken. Ik wil niet dat mijn toch al beperkte keuzevrijheid wordt ingeperkt vanwege een uitzonderlijke groep (moslim)mannen.
Zoals altijd in de discussies over de multiculturele samenleving, integratie en islam worden de discussies weer gevoerd over de lichamen van migrantenvrouwen, moslima’s in dit geval. Laten we ons richten op die mannen in plaats van vrouwen een keuze te ontnemen. Zouden diezelfde moslimmannen die als cipiers hun vrouwen bewaken bij gynaecoloog of obstetrist ook moeilijk doen als er een vrouwelijke uroloog hun penis of scrotum moet onderzoeken of een verpleegkundige die een katheter moet aanbrengen? Jammer dat we daar niets over lezen.